www.boswachtersblog.nl/ BuitenPlaatsen

Schoonheid en gevaar uit het Oosten

11 april 2016 Kunsthistoricus Marcel van Ool in BuitenPlaatsen

“Tegenwoordig is zeventig procent van alle struiken en bomen in Nederlandse tuinen, lanen en parken van Oost-Aziatische oorsprong”, lees ik op de site van het Sieboldhuis. Ik kijk naar buiten en check. Met mijn liefde voor inheemse onkruiden, zal dat cijfer wel meevallen, vermoed ik. Ik turf drie Japanse anemonen, een woekering aan schijnaardbei, een hosta (sieboldiana, uiteraard) en ik realiseer me dat de hele structuur van mijn tuin gevormd wordt door twee enorme Japanse kamperfoelies die over een muur naar elkaar toe groeien. Die snoei ik voortdurend en ze leveren niet-geurende bloemen waar bijen toch gek op zijn en bessen die vooral houtduiven lokken (dat is een gebeurtenis, als in dat kleine stadstuintje een koppel duiven landt). Zou ik de kamperfoelies laten gaan, dan overwoekeren ze in een paar seizoenen het hele huis en dat van de buren erbij. Ik heb trouwens het vermoeden dat klimopsoorten die hier thuishoren zo sterk zijn dat ze een ‘uitbraak’ van Japanse kamperfoelie in onze natuur wel aan kunnen.jap. kamperfoelieEr is meer Japans spul dat al sinds de negentiende eeuw hier bloeit en nauwelijks lijkt te gedijen buiten tuin en park, denk aan wisteria (‘blauwe regen’), camelia en sommige hortensia’s. Het zijn allemaal planten die door Philipp Franz von Siebold (1796-1866) naar Europa zijn gebracht. Hij maakte op last van de Nederlandse regering twee reizen (1823-1829 en 1859-1862) naar Japan. Dat land had zich geheel afgesloten van de buitenwereld en liet tot 1854 op het kunstmatige eilandje Deshima, bij Nagasaki, alleen een Nederlandse handelspost toe. Wetenschap en handelsbelangen liepen volledig doorelkaar bij Von Siebold. Hij legde verschillende botanische tuinen aan en werkte aan de Flora japonica. Hij bracht nieuwe medische inzichten naar Japan, vooral op het gebied van de verloskunde en stuurde zaden van theeplanten naar Java waarmee hij een succesvolle theecultuur initieerde.
nipponIn 1840 stichtte hij, vlak buiten de Leidse Zijlpoort, zijn landgoedje dat hij Nippon noemde. Er was een grote kas waarin hij zaden die hij mee had genomen uit Japan opkweekte. Tal van pioenrozen, lelies en chrysanten die nu gewaardeerde tuinplanten zijn, stammen af van introducés op Nippon. In totaal bracht Von Siebold meer dan 700 verschillende plantensoorten naar Europa. En daar zat ook Polygonum cuspidatum bij (zoals hij toen genoemd werd), Japanse duizendknoop. Die stuurde Von Siebold (ongevraagd) ook naar de botanische tuinen van Kew. Verdere verspreiding ging gestaag, in 1854 bevindt de plant zich al in Edinburgh. Japanse duizendknoop is heel makkelijk te vermeerderen -uit elk deel van de wortelstok groeit zo een nieuwe plant en ook uit zaad opkweken is eenvoudig. Regelmatig ‘ontsnapte’ uit tuinen of kwekerijen een plant, vooral via stromend water breidde het territorium van de plant zich razendsnel uit. In Nederland werd de eerste verwildering in 1886 gemeld, dat was in Baarn. Pas na 1950 wordt de plant een probleem, waarschijnlijk door onzorgvuldig maaien en het lozen van tuinafval.jap.duizendknoopVooral waar Staatsbosbeheerterreinen direct aan tuinen grenzen, zien we de plant ook bij ons. Het kan ook erger: in het Leersumse Veld is enkele jaren geleden tuinafval gedumpt en dat leverde een kolonie Japanse duizendknoop op. Boswachter Jelle Bais meldt dat het om een stuk gaat van twintig bij twintig meter. Maar de plant rukt wel elk jaar ongeveer een meter op. Gevaar voor zeldzame planten als de zonnedauw is er nog niet, maar de boel wordt streng in de gaten gehouden. Bestrijding vindt nu vooral plaats door maaien voor de planten zaad hebben gezet. Dat moet heel nauwkeurig gebeuren omdat een gemist stukje stengel kan uitgroeien tot een nieuwe plant.
De gemeente Renkum kondigde in 2015 aan de duizendknoop rigoreuzer aan te pakken, en wel met varkens. Die putten de plant niet alleen uit door hem voortdurend af te vreten, ze lusten ook de wortelstokken. Stichting Probos onderzoekt op dit moment wat de beste bestrijding is. Waarbij op voorhand bedacht moet worden dat gif of afdekken met folie in natuurgebieden niet zomaar een oplossing is. Daar moet je bij dijken, rioleringen en funderingen misschien wel toe overgaan -de plant tast beton aan, en groeit door asfalt.
Er zijn ook tegenstanders van bestrijding in natuurgebieden. Filosofen Wouter Oudemans en Norbert Peeters spreken van ‘botanisch-racisme’ wanneer het over de aanpak van exoten gaat. Zij wijzen op de aard van de plant -en die is gericht op verspreiding van zijn erfelijk materiaal. De duizendknoop is dus een succes, juist omdat hij de mens voor zijn karretje gespannen heeft. De filosofen wijzen een onderscheid tussen inheems en exotisch van de hand. In theoretische zin is daar misschien wel wat voor te zeggen. Maar als ik heel praktisch moet kiezen tussen een plant die bij gebrek aan natuurlijke vijanden (ongewervelden die de plant aanvreten, schimmels) de boel overneemt, of behoud van plantenrijkdom die zich in eeuwen kon ontwikkelen, dan weet ik het wel. Japanse duizendknoop (kenners onderscheiden overigens drie soorten), vestigt zich ook in dotterbloemgraslanden, met hun onwaarschijnlijk gevarieerde flora. Daar overschaduwt hij met zijn bladerdak alle andere planten die afsterven of überhaupt niet meer kiemen.
Ondertussen staat het Sieboldhuis in Leiden stil bij de honderdvijftigste sterfdag van Von Siebold. Als we een ding geleerd hebben: je moet nooit zomaar met planten gaan sjouwen. En zeker niet als die planten dat juist zouden willen.

Voor deze post is gebruik gemaakt van:
-Arlette Kouwenhoven en Matthi Forrer: Siebold en Japan, Zijn leven en werk. Hotei Publishing, Leiden 2000
-Wouter Oudemans en Norbert Peeters: Plantaardig,Vegetatieve filosofie. KNNV uitgeverij, Zeist 2015
-artikelen van John Bailey op de site van Leicester University.

In het Sieboldhuis zijn nu soft sculptures van Mieke de Waal te zien. Zoals Bos en Mens.bos_en_mens_220_245

reageren

geef een reactie

i

Mis geen enkel bericht van dit boswachtersblog