www.boswachtersblog.nl/ Rivierengebied

Broedvlotjes redding zwarte stern

10 mei 2021 Boswachter Claudia Wessel in Rivierengebied
Een zwarte stern voert zijn jongen

Een zwarte stern voert zijn jongen (foto Alex & Annette Natuurfotografie)

Zachtjes klotst het water tegen de boot, die langzaam voortglijdt door het rietmoeras in het Munnikenland. Het lijkt wel vanzelf te gaan, maar dat is niet zo. Collega Mark heeft zijn lieslaarzen aan en trekt de boot door het ondiepe gedeelte van het moeras. ‘Dit gaat een stuk makkelijker dan peddelen’ zegt hij. Je hoort mij niet klagen, ik zit erbij als een koningin. We zijn op weg naar een stuk open water middenin het moeras. Daar gaan we vlotjes leggen.

Het gaat niet goed

Vlotjes voor een zeldzame  vogel: de zwarte stern. Vroeger algemeen, maar sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw is hij hard achteruit gegaan. Toen waren er tegen de 15.000 broedparen, daar is sinds een jaar of dertig nog maar een kleine tien procent van over. De oorzaak? Een grote afname van geschikte nestlocaties. Toch komen de overgebleven sterntjes elk jaar nog vanuit West-Afrika naar ons land om te broeden, omdat ze weten dat er voor ze gezorgd wordt. Door het hele land leggen natuurbeheerders en vrijwilligers elk jaar kant-en-klare broedvlotjes voor ze neer. De vogeltjes hoeven zelf alleen nog maar de eieren erop te leggen. Wat een luxe! Maar die luxe is broodnodig.

Broeden tussen de waterplanten

Zwarte sterns broedden vroeger op dichte watervegetatie van waterlelie, gele plomp en hun favoriet; krabbenscheer. Tussen de planten maakten ze hun nest van rottende (!) vegetatie. De planten boden de jongen van onderaf bescherming, doordat de dichte vegetatie het zicht ontnam van roofdieren als de snoek. En de bladeren van krabbenscheer hielden van bovenaf met hun enorm scherpe stekels ook rovers tegen. Zo kunnen haviken zich in de broedtijd zich specialiseren op jonge zwarte sterns. Door onder andere verontreiniging zijn waterlelie, gele plomp en krabbenscheer op veel plekken zeldzaam geworden of  verdwenen. En daarmee ook de broedplekken voor ons vogeltje.

Alleen een broedvlotje; niets anders!

Vandaar de vlotjes. Met dit lapmiddel is de broedpopulatie min of meer constant. Dat is fijn, maar het maakt de zwarte stern ook kwetsbaar. Alle zwarte sterns die nu in Nederland broeden, zijn op zo’n vlotje geboren. Ze kennen niets anders meer. En daar zit precies het probleem. De krabbenscheer, waterlelie en gele plomp mogen dan zeldzaam zijn, ze zijn zeker niet overal verdwenen. Op sommige plekken in vooral West-Nederland, komen ze lokaal zelfs algemeen voor! Maar de sterns laten deze broedplekken links liggen. Om ze te dwingen ze te gebruiken, zou je er kunnen stoppen met vlotjes. Maar geen enkele natuurbeschermer wil met zo’n kleine populatie het risico nemen dat de vogels niet tot broeden komen. Dus rollen we elk jaar de rode loper voor ze uit.

Hoge eisen

Op de kant van het rietmoeras kijkt Max ondertussen toe. Hij houdt zich al tientallen jaren bezig met de zwarte stern en is met recht een expert. ‘Zo’n vlotje maak je niet zomaar’ vertelt hij eerder op de dag. ‘Het luistert allemaal heel nauw. Het mag niet te diep in het water liggen, want dan kunnen de pullen (jongen) er door golfslag afgeslagen worden. Maar het mag ook weer niet te hoog boven het water uitkomen. Dan komen ze er dan nooit meer op…’ Onze vlotjes liggen precies goed. En er ligt een kokosmat op. Hier hebben de pullen grip op als ze vanuit het water het vlotje op willen. Het zorgt er ook voor dat de rand niet te steil is. Max is ook betrokken bij het project van collega Theo. Naast het coördineren van het leggen van vlotjes, zijn zij ook bezig met de ontwikkeling van een nieuw type, dat veel langer meegaat. Theo is er druk mee en hoopt dat ze volgend jaar in het water zullen liggen.

Stinkende modder met watermunt

Opeens springt Mark weer in de boot. ‘Het wordt me hier toch te diep, het water komt bijna m’n laarzen in!’. We peddelen nog een stukje en dan zoekt hij contact met Max. ‘Is dit de goede plek?’ Max steekt een duim omhoog. ‘Mooi, we kunnen aan de gang’. Ook Mark is doorgewinterd vlotjesmaker. Geroutineerd haalt hij een stuk touw door een baksteen met een gat en maakt het vast. Dan gaat de steen het water in en zakt naar de bodem. Dat vormt het anker. Mark maakt vervolgens het vlotje eraan vast. Maar dat is nog niet alles. Bovenop de kokosmat komt een schep stinkende modder. Persoonlijk lijkt mij dat geen fijn spul om je jongen op groot te brengen, maar de zwarte sterns zijn er kennelijk dol op! Er komt nog een plukje watermunt bij dat gaat groeien en camouflage geeft en voilà, het eerste vlotje is klaar.

Uitbreiding

Er volgen nog zeven op deze plek in het Munnikenland. Ook de afstand tussen de vlotjes komt vrij precies. Ze liggen bij elkaar in de buurt; de zwarte stern is een koloniebroeder. Maar er moet wel genoeg ruimte tussen zitten om burenruzies te voorkomen. Op een tweede locatie leggen we later ook vlotjes. Het is het eerste jaar dat ze in het Munnikenland liggen, vanuit het project van Theo aangewezen als een van meerdere potentiële uitbreidingsgebieden. Er komen al zwarte sterns naar het Munnikenland toe om te foerageren. Hopelijk vinden ze de vlotjes aantrekkelijk en zullen ze een broedpoging wagen. Het is afwachten, maar aan Mark zal het niet liggen. Vakkundig legt hij het ene na het andere vlotje in het water. Al snel is hij klaar en varen we weer terug. Mijmerend over pluizige, jonge sterntjes kijk ik ondertussen naar boven. Wacht, zie ik er daar al een vliegen?

reageren

geef een reactie

i

Mis geen enkel bericht van dit boswachtersblog